In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe u originelen en afdrukmedia in uw apparaat plaatst.
In dit hoofdstuk vindt u de volgende onderwerpen:
Plaats geen papier dat kleiner is dan 142 × 148 mm of groter dan 216 × 356 mm.
Vermijd het gebruik van de volgende papiertypes om papierstoringen, een slechte afdrukkwaliteit of schade aan het apparaat te voorkomen.
Carbonpapier of papier met carbonrug
Gecoat papier
Licht doorschijnend of dun papier
Gekreukt of gevouwen papier
Gekruld of opgerold papier
Papier met scheuren
Verwijder alle nietjes en paperclips voor u het papier plaatst.
Controleer of eventuele lijm, inkt of correctievloeistof op het papier volledig droog is voor u het plaatst.
Plaats geen originelen van verschillend formaat of gewicht.
Plaats geen boekjes, foldertjes, transparanten of documenten met andere afwijkende eigenschappen.
Als u een document wilt kopiëren, scannen of faxen, legt u het op de glasplaat of in de ADI (Automatische DocumentInvoer).
Zorg ervoor dat er geen originelen in de ADI liggen. Als een origineel wordt gedetecteerd in de ADI, zal het voorrang krijgen boven het origineel op de glasplaat. Voor de beste scankwaliteit, vooral bij afbeeldingen in kleur of grijstinten, gebruikt u bij voorkeur de glasplaat.
Licht het deksel van de scanner op.
Plaats de originelen met de bedrukte zijde naar onder op de glasplaat van de scanner. Plaats het document zorgvuldig tegen de markering linksboven op de glasplaat.
Sluit het deksel van de scanner.
|
|
|
|
|
|
In de ADI kunt u tot 40 vellen papier van 75 g/m2 voor één taak plaatsen.
Buig de papierstapel of waaier het papier uit om de pagina’s van elkaar te scheiden voor u de originelen plaatst.
Plaats de originelen in de ADI met de bedrukte zijde naar boven. Zorg ervoor dat de onderkant van de stapel originelen samenvalt met de markering voor het papierformaat op de invoerlade.
Stel de ADI in overeenkomstig het papierformaat.
|
|
|
Stof op de glasplaat van de ADI kan zwarte strepen op de afdruk veroorzaken. Houd de glasplaat altijd schoon (zie Scannereenheid reinigen). |
U kunt afdrukken op verschillende afdrukmedia, zoals normaal papier, enveloppen, etiketten en transparanten. Gebruik uitsluitend afdrukmaterialen die voldoen aan de in deze gebruikershandleiding vermelde richtlijnen.
Afdrukmedia die niet aan de richtlijnen uit de gebruikershandleiding voldoen, kunnen de volgende problemen veroorzaken:
Slechte afdrukkwaliteit
Vastlopen van het papier
Versnelde slijtage van het apparaat.
Eigenschappen, zoals gewicht, samenstelling, vezel- en vochtgehalte, hebben een grote invloed op de prestaties van het apparaat en de afdrukkwaliteit. Houd bij de keuze van afdrukmedia rekening met het volgende:
Het type, formaat en gewicht van afdrukmateriaal voor uw apparaat zijn beschreven onder de specificaties van het afdrukmateriaal (zie Specificaties van het afdrukmateriaal ).
Gewenst resultaat: de afdrukmedia die u kiest moeten geschikt zijn voor het doel.
Helderheid: sommige afdrukmaterialen zijn witter dan andere en leveren scherpere en helderdere afbeeldingen op.
Gladheid van het oppervlak: de gladheid van de afdrukmedia bepaalt hoe scherp de afdrukken er uitzien op papier.
|
|
|
|
|
|
Het gebruik van afdrukmaterialen die niet aan deze specificaties voldoen kan problemen veroorzaken die een herstelling vereisen. Dergelijke herstellingen zijn niet gedekt door de garantie- of serviceovereenkomsten. De hoeveelheid papier die u in de lade kunt plaatsen is afhankelijk van het gebruikte afdrukmateriaal (zie Specificaties van het afdrukmateriaal ). |
|
Modus |
Formaat |
Invoer |
|---|---|---|
|
Kopieermodus |
Letter, A4, Legal, Oficio, Folio, Executive, ISO B5, JIS B5, A5, A6 |
|
|
Afdrukmodus |
Alle formaten die het apparaat ondersteunt |
|
|
Faxmodus |
Letter, A4, Legal |
|
De lade is standaard ingesteld op het papierformaat Letter of A4, afhankelijk van het land waar u de printer hebt gekocht. Om het formaat te wijzigen, moet u de papiergeleiders aanpassen.
|
|
Houd met een hand de vergrendeling van de geleider ingedrukt en houd met de andere hand de lengtegeleider en de ondersteuningsgeleider samen. Verschuif de lengtegeleider en de ondersteuningsgeleider om ze in de sleuf voor het juiste papierformaat te plaatsen.
Buig de papierstapel of waaier het papier uit om de pagina’s van elkaar te scheiden voordat u het papier in de lade plaatst. Plaats het papier in de papierlade.
Nadat u het papier in de lade hebt geplaatst, stelt u de ondersteunende geleider zodanig in dat deze de stapel lichtjes raakt.
Houd de breedtegeleiders ingedrukt en verschuif ze tot het gewenste formaat zoals aangegeven op de bodem van de papierlade.
|
|
|
Trek de lade uit. Pas het formaat van de lade aan aan het formaat van het geplaatste afdrukmateriaal (zie De grootte van de lade aanpassen).
Buig de papierstapel of waaier het papier uit om de pagina’s van elkaar te scheiden voordat u het papier in de lade plaatst.
Leg het papier met de zijde die u wilt bedrukken naar onder.
Plaats de lade terug in het apparaat.
Stel de papiersoort en het papierformaat voor de lade in om een document af te drukken.
Zie De standaardlade en het papier instellen voor informatie over het instellen van de papiersoort en het papierformaat.
|
|
|
Controleer als u problemen ondervindt met de papierinvoer of het papier beantwoordt aan de specificaties van de afdrukmedia. Probeer het vervolgens door vel per vel in de lade voor handmatige invoer te plaatsen (zie Specificaties van het afdrukmateriaal ). |
In de lade voor handmatige invoer kunnen speciale typen en formaten afdrukmateriaal worden geplaatst, zoals briefkaarten, notitiekaarten en enveloppen. Dit is handig als u maar één pagina wilt afdrukken op papier met briefhoofd of op gekleurd papier.
Als u in uw softwaretoepassing selecteert voor , moet u op drukken telkens wanneer u een pagina afdrukt. Plaats telkens slechts afdrukmateriaal van één type, formaat en gewicht in de lade voor handmatige invoer.
Voeg tijdens het afdrukken geen papier toe als de lade voor handmatige invoer nog papier bevat. Dit zou papierstoringen kunnen veroorzaken. Dit geldt ook voor andere soorten afdrukmateriaal.
Plaats afdrukmaterialen met de te bedrukken zijde naar boven en de bovenrand eerst in de handmatige invoer en zorg ervoor dat het materiaal in het midden van de lade ligt.
Plaats alleen afdrukmateriaal dat aan de specificaties voldoet. Zo voorkomt u papierstoringen en problemen met de afdrukkwaliteit (zie Specificaties van het afdrukmateriaal ).
Strijk alle vervormingen in briefkaarten, enveloppen en etiketten glad voor u ze in de lade voor handmatige invoer plaatst.
Plaats het papier in de lade voor handmatige invoer.
|
|
|
Druk de papierbreedtegeleiders van de lade voor handmatige invoer naar elkaar toe en pas ze aan de papierbreedte aan. Oefen niet te veel druk uit. Het papier kan gaan plooien, waardoor een papierstoring ontstaat of het papier scheeftrekt.
Om vanuit een toepassing af te drukken, opent u de toepassing en start u het afdrukmenu.
Open (zie Voorkeursinstellingen openen).
Klik op het tabblad in en selecteer het juiste papiertype.
|
|
|
Als u bijvoorbeeld op een etiket wilt afdrukken, stelt u het papiertype in op . |
Selecteer bij papierbron en druk vervolgens op .
Start het afdrukken vanuit de toepassing.
|
|
|
Als u twee of meer pagina’s wilt afdrukken, plaatst u het volgende vel nadat de eerste pagina is afgedrukt en klikt u op de knop . Herhaal deze stap voor elke pagina die moet worden afgedrukt. |
Onderstaande tabel toont de beschikbare speciale afdrukmedia voor elke lade.
|
|
|
Voor het gebruik van speciale afdrukmedia raden wij u aan om telkens een vel per keer in te voeren. Controleer hoeveel vellen u maximaal in elke lade mag plaatsen (zie Specificaties van het afdrukmateriaal ). |
|
Types |
Lade 1 |
Lade voor handmatige invoer |
|---|---|---|
|
|
● |
● |
|
|
● |
● |
|
|
● |
● |
|
|
● |
|
|
|
● |
|
|
|
● |
|
|
|
● |
|
|
|
● |
|
|
|
● |
|
|
|
● |
|
|
|
● |
|
|
|
● |
● |
|
|
● |
● |
(●: ondersteund, Blanco: niet ondersteund)
De mediatypes worden getoond in de Met de optie papiertype kunt u het papiertype instellen dat in de lade moet worden geplaatst. Deze instelling verschijnt in de vervolgkeuzelijst zodat u ze kunt selecteren. Op die manier krijgt u de beste afdrukkwaliteit. Zo niet, wordt de gewenste afdrukkwaliteit mogelijk niet bereikt.
: 60 tot 90 g/m2 normaal papier.
: dik papier van 90 tot 105 g/m2.
: dun papier van 60 tot 70 g/m2.
: bankpostpapier van 105 tot 120 g/m2.
: papier met gekleurde achtergrond van 75 tot 90 g/m2.
: kaarten van 90 tot 163 g/m2.
: etiketten van 120 tot 150 g/m2.
: transparanten van 138 tot 146 g/m2.
: enveloppen van 75 tot 90 g/m2.
: voorbedrukt papier/papier met briefhoofd van 75 tot 90 g/m2.
: katoenpapier van 75 tot 90 g/m2.
: kringlooppapier van 75 tot 90 g/m2.
|
|
|
Als u reeds gebruikt papier in de printer plaatst, kunnen de afdrukken kreukelen. |
: 70 tot 90 g/m2. Selecteer deze optie als u de afdrukken geruime tijd wilt bewaren (bijvoorbeeld in een archief).
Of enveloppen goed worden bedrukt, is afhankelijk van de kwaliteit van de enveloppen.
De hoek voor de postzegel moet zich links bevinden en de kant van de envelop met de postzegelhoek moet eerst in de printer gaan en moet in het midden van de handmatige invoer worden geplaatst.
Als de afgedrukte enveloppen kreuken, vouwen of dikke zwarte lijnen vertonen, opent u de achterklep, duwt u de hendel naar beneden en probeert u opnieuw af te drukken. Houd de achterklep tijdens het afdrukken geopend.
|
|
Houd bij de keuze van enveloppen rekening met de volgende factoren:
Gewicht: het gewicht van het enveloppenpapier mag niet meer dan 90 g/m2 bedragen om te vermijden dat er een papierstoring optreedt.
Ontwerp: voor het afdrukken moeten de enveloppen plat worden gelegd. Ze mogen niet meer dan 6 mm omkrullen en mogen geen lucht bevatten.
Probleem: gebruik geen enveloppen die gekruld, verkreukeld of beschadigd zijn.
Temperatuur: u moet enveloppen gebruiken die bestand zijn tegen de druk en de hitte die tijdens het afdrukproces in het apparaat ontstaan.
Gebruik alleen goed gevormde enveloppen met scherpe vouwen.
Gebruik geen afgestempelde enveloppen.
Gebruik geen enveloppen met sluithaakjes, knipsluitingen, vensters, gecoate binnenbekleding, zelfklevende sluitingen of andere synthetische materialen.
Gebruik geen beschadigde enveloppen of enveloppen van slechte kwaliteit.
Controleer of de naad aan beide uiteinden van de envelop helemaal doorloopt tot in de hoek.
Aanvaardbaar
Onaanvaardbaar
Enveloppen met een verwijderbare strip of met meer dan één zelfklevende vouwbare klep moeten van een kleefmiddel zijn voorzien dat gedurende 0,1 seconde bestand is tegen de fixeertemperatuur (circa 170 ℃) van het apparaat. De extra kleppen en strips kunnen kreuken, scheuren en papierstoringen veroorzaken en kunnen zelfs de fixeereenheid beschadigen.
Voor de beste afdrukkwaliteit moeten de marges minimaal 15 mm van de rand van de envelop blijven.
Druk niet af op de plaats waar de naden van de envelop samenkomen.
Om beschadigingen aan het apparaat te voorkomen, gebruikt u uitsluitend transparanten die speciaal zijn ontworpen voor laserprinters.
De te gebruiken transparanten moeten bestand zijn tegen de fixeertemperatuur van het apparaat.
Plaats transparanten op een vlak oppervlak nadat u ze uit het apparaat hebt gehaald.
Laat transparanten niet te lang in de papierlade liggen. Er kan zich dan stof en vuil op afzetten, wat aanleiding geeft tot vlekken bij het afdrukken.
Let op dat u geen vingerafdrukken op de transparanten achterlaat. Dit veroorzaakt vlekken tijdens het afdrukken.
Bescherm transparanten na het afdrukken tegen langdurige blootstelling aan zonlicht om te voorkomen dat ze gaan vervagen.
Zorg dat de transparanten niet kreukelen, krullen of gescheurde hoeken hebben.
Gebruik geen transparanten die loskomen van de achterzijde.
Om te vermijden dat de afgedrukte transparanten aan elkaar blijven kleven, moet u ervoor zorgen dat ze niet op elkaar worden gestapeld terwijl ze worden afgedrukt.
Om beschadigingen aan het apparaat te voorkomen, gebruikt u best uitsluitend etiketten voor laserprinters.
Bij de keuze van etiketten moet u rekening houden met de volgende factoren:
Kleefstoffen: Het kleefmiddel moet stabiel blijven bij de fixeertemperatuur van het apparaat van ongeveer 170 ℃.
Schikking: gebruik uitsluitend etiketvellen waarvan het rugvel tussen de etiketten niet blootligt. Bij etiketvellen met ruimte tussen de etiketten kunnen de etiketten loskomen van het rugvel. Dit kan ernstige papierstoringen tot gevolg hebben.
Krullen: voor het afdrukken moeten de etiketten plat worden gelegd en mogen ze niet meer dan 13 mm omkrullen.
Probleem: gebruik geen etiketten die gekreukt zijn, blaasjes vertonen of loskomen van het rugvel.
Zorg ervoor dat er tussen de etiketten geen zelfklevend materiaal blootligt. Blootliggende delen kunnen ervoor zorgen dat etiketten tijdens het afdrukken loskomen, waardoor het papier kan vastlopen. Ook kunnen hierdoor onderdelen van het apparaat beschadigd raken.
Plaats geen gebruikte etiketvellen in het apparaat. De klevende achterzijde mag slechts een keer door het apparaat worden gevoerd.
Gebruik geen etiketten die loskomen van het rugvel, blaasjes vertonen, gekreukt of anderszins beschadigd zijn.
U kunt met deze printer afdrukken op briefkaarten, kaarten en andere materialen met aangepaste formaten.
Druk niet af op materialen die smaller zijn dan 76 mm en korter dan 127 mm.
Stel de marges in de softwaretoepassing in op ten minste 6,4 mm van de zijkanten van de afdrukmedia.
Probeer af te drukken naar de klep aan de achterkant (bedrukte zijde omhoog) als het gewicht groter is dan 160 g/m2.
|
Eenzijdig |
Dubbelzijdig |
|
|---|---|---|
|
Papierlade 1 |
Voorzijde naar beneden
|
Voorzijde naar boven
|
|
Lade voor handmatige invoer |
Voorzijde naar boven
|
Voorzijde naar beneden
|
Briefhoofden/voorbedrukt papier moeten afgedrukt worden met hittebestendige inkt die niet smelt, verdampt of schadelijke gassen uitstoot bij blootstelling gedurende 0,1 seconde aan de fixeertemperatuur van het apparaat. Controleer de specificaties van uw apparaat voor informatie over de fixeertemperatuur van ongeveer 170 ℃.
De inkt op het briefhoofd/voorbedrukt papier mag niet ontvlambaar zijn en mag de printerrollen niet beschadigen.
Formulieren en papier met briefhoofd moeten in een vochtbestendige verpakking worden bewaard om aantasting tijdens de opslagperiode te voorkomen.
Voor u het briefhoofd/voorbedrukt papier in de lade plaatst, controleert u of de inkt op het papier droog is. Natte inkt kan tijdens het fixeerproces loskomen van het voorbedrukte papier, waardoor de afdrukkwaliteit afneemt.
Zorg ervoor dat u geen fotopapier voor inkjetprinters gebruikt. Dit kan het apparaat beschadigen.
Nadat u het papier in de lade hebt geplaatst, moet u het papierformaat en -type instellen op het bedieningspaneel. Deze instellingen hebben betrekking op de kopieer- en faxmodus. Als u wilt afdrukken vanaf een computer, selecteert u het papierformaat en de papiersoort in het toepassingsprogramma dat u op uw computer gebruikt (zie Voorkeursinstellingen openen).
|
|
|
De instellingen die via het apparaatstuurprogramma zijn opgegeven krijgen voorrang op de instellingen die via het bedieningspaneel werden opgegeven. |
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts om de gewenste papierlade te selecteren en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts om het gewenste papierformaat te selecteren.
Druk op om uw keuze op te slaan.
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
|
|
|
Als u een speciaal papierformaat (bijv. factuurpapier) wilt gebruiken, selecteert u op het tabblad in (zie Voorkeursinstellingen openen). |
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts om de gewenste papierlade te selecteren en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts om het gewenste type papier te selecteren.
Druk op om uw keuze op te slaan.
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot of verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts om de gewenste papierlade te selecteren.
Druk op om uw keuze op te slaan.
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
|
|
|
Als u een groot aantal pagina’s tegelijk afdrukt, kan het oppervlak van de uitvoerlade heet worden. Raak het oppervlak niet aan en houd kinderen uit de buurt. |
De afgedrukte pagina’s worden in de uitvoerlade gestapeld en de papieruitvoersteun zal ervoor zorgen dat de afgedrukte pagina’s worden uitgelijnd. De uitvoer wordt standaard naar de uitvoerlade gestuurd. Als u de uitvoerlade wilt gebruiken, moet de achterklep gesloten zijn.
|
|
|
Als u A5-papier gebruikt, moet u de uitvoerlade openklappen om te vermijden dat de afgedrukte pagina’s geen rechte stapel vormen of vastlopen. |
Als u het apparaat in een vochtige omgeving gebruikt of afdrukmaterialen gebruikt die vochtig zijn als gevolg van een hoge luchtvochtigheid, kunnen de afgedrukte vellen krullen vertonen en worden ze mogelijk niet goed gestapeld. In dit geval kunt u het apparaat instellen om de te gebruiken waarmee de afdrukken goed worden gestapeld. Deze functie zal de afdruksnelheid echter verlagen.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
Wanneer u op een klein papierformaat afdrukt (bijv. een envelop of een aangepast papierformaat), kan het niet op de uitvoersteun worden geplaatst omdat het te klein is.
In dat geval opent u de scaneenheid en haalt u de afdruk uit het apparaat.
Vervolgens sluit u de scaneenheid door op de sluitknop van de scaneenheid te drukken.